Mediacratie is geen vloek, maar een zegen

Het eerste dat veel mensen ’s ochtends doen na het opstaan is, naast het naar binnen slurpen van een verse bak koffie, het nieuws checken. Waar men vroeger de krant opensloeg of de radio aan zette, openen wij tegenwoordig een nieuwssite of app op onze telefoon. De behoefte om te weten wat er om ons heen speelt, dringt zich bij velen van ons al op bij het eerste ochtendgloren. Wij stillen deze honger direct met onze mediaconsumptie. Ook de rest van de dag blijven we het nieuws nauwlettend volgen en zijn we dus druk bezig met het consumeren van media. Volgens het onderzoek Media:Tijd (2014) besteedt iedere Nederlander gemiddeld acht uur en veertig minuten per dag aan media . Desondanks denken we niet veel na over de invloed die de media op ons heeft. . In de mediacratie waarin wij leven, ligt de macht bij degene die via de media de publieke opinie kan beïnvloeden. De term mediacratie heeft hierbij meestal een negatieve lading. Dit komt doordat de media vaak op zoek is naar aandacht met als gevolg een grotere kans op sensatie, emotie en volop in het nieuws staan (Sterk, 2014). Toch is de huidige mediacratie een zegen en geen vloek voor onze samenleving.

Ten eerste zorgt de mediacratie voor een groter aanbod van journalistiek, de verschillende media moeten immers allemaal hun content produceren en dit vergroot het aanbod. Helaas is al die content niet altijd van goede kwaliteit. Vooral bij nieuwe media zien we soms de neiging ontstaan dat gaten opgevuld worden met ‘porno en roddels’, aldus Bas Heijne (Hooven & Schutte, 2012). Maar dit hoeft niet te betekenen dat serieuze onderwerpen daaronder lijden. Een goed voorbeeld is Twitter. Dit werd in eerste instantie louter gebruikt om dagelijkse onzin te plaatsen zoals: ‘Eens vroeg naar bed vandaag #wildenachtachterderug’, maar de laatste tijd is er een duidelijke ontwikkeling waar te nemen dat Twitter veel meer zakelijk gebruikt wordt en dan met name door journalisten die nieuws, hun favoriete artikelen of een mooie documentaire willen delen. Volgens Heijne (2012) is de behoefte aan serieuze journalistiek zelfs toegenomen door de mediacratie: ‘Tussen alle lichtheid groeit de behoefte aan serieuze analyse, aan stukken van mensen die weten waar ze het over hebben. Ik vind het een heel goede tijd voor kwaliteitsjournalistiek. Je kunt elk moment alles lezen.’ Ook ontstaat er een nieuw soort journalist die het echte verhaal wil vertellen en niet zo maar meegaat in de ‘opgefokte werkelijkheid van de mediadynamiek’ (p. 60).

Die opgefokte werkelijkheid brengt mij op het volgende punt. In de mediacratie zijn mensen naar mijn mening beter in staat een eigen mening te vormen dan in een democratie. Er zijn ontelbaar veel kanalen die men kan raadplegen om informatie te vergaren, terwijl in een democratie belangrijke informatie door één verslaggever wordt verstrekt. Dat die verslaggever objectief en vakkundig is, moet men maar hopen. Uit het artikel van Yvonne Zonderop (2012) blijkt dat wij blij mogen zijn met de rol die de media momenteel hebben in het dagelijks bestaan. Zij stelt dat de absolute werkelijkheid plaats heeft gemaakt voor eigen interpretatie (p. 93). Het lastige aan de vrijheid van interpretatie is dat er een mediaoverkill is ontstaan. Deze maakt het moeilijk om kwaliteitsjournalistiek te onderscheiden van pulp. Maar dat er zoiets als kwaliteitsjournalistiek bestaat, kan volgens Frank van Vree (2012) de gedachte oproepen dat er een eenduidige, maar waarheidsgetrouwe weergave van de realiteit bestaat. ‘En dat is uiteraard een illusie’ (p. 10)

De mediacratie heeft ook een keerzijde. Door de continue stroom van informatie en de invloed die dit op ons heeft, ontstaat er namelijk vervlakking. Dit komt door het mediocre karakter dat typerend is voor de mediacratie (Sterk, 2014). De vervlakking uit zich in journalistiek van een gemiddeld niveau dat aanslaat bij een zo groot mogelijk publiek en daarom makkelijk te begrijpen (behappen ?) moet zijn. Daarnaast gaat men door vervlakking horizontaal denken, door het linken (is linken wel een officieel woord ?) van voorkeuren, in plaats van zich verticaal te verdiepen in onderwerpen. Mediaconsumenten komen dus niet in aanraking met alle informatie die zij tot hun beschikking hebben, maar weten van de andere kant wel iets over heel veel onderwerpen (Hooven & Schutte, 2012).

Een andere reden voor het feit dat de mediacratie vaak in negatieve zin wordt genoemd, is dat wij hierdoor de band met onzichtbare derden versterken in plaats van de band met mensen om ons heen. Deze derden kent men alleen van -en via de media. De banden die er ontstaan noemt Dick Pels ‘parasociale-relaties’ (2009). Kenmerkend voor deze relaties is dat ze vaak worden opgebouwd met publiek bekende personen. Zij zorgen niet alleen voor lees- en kijkplezier, maar staan door de band die wij met hen voelen ook centraal in vraagstukken over moraliteit. Als gevolg hiervan denken mensen bij de vraag ‘wat is een goede relatie?’, eerder aan Doutzen Kroes en Sunnery James, dan aan hun eigen opa en oma. De familiariteit die er, vooral door nieuwe media, is ontstaan met beroemdheden doet vaak vergeten dat er sprake is van eenrichtingsverkeer en ongelijkheid. Er ontstaat hierdoor een nieuw soort klassenverhouding waarin beroemdheden de hogere klasse uitmaken en wij de lagere. Dit is echter niet slecht voor face-to-face relaties in de mediacratie (2009) (Lein deze zin snap ik niet over face-to-face relaties in de mediacratie). Door continu te praten over Gerard Joling die een ongeluk heeft gehad of Britney Spears die weer single is, ontstaat er meer sociale cohesie. Dat is van groot belang in een tijd waarin we net zoveel tijd aan media besteden, als aan onze nachtrust (Media:Tijd, 2014).

Ook al heeft de mediacratie ervoor gezorgd dat para-sociale relaties belangrijker zijn geworden, kunnen we toch stellen dat het een zegen is. Er is namelijk content in overvloed en continu tot onze beschikking. Deze dient als bron om onze eigen interpretatie te vormen. Hierbij is het wel belangrijk te waken voor vervlakking en pulp te onderscheiden van de content en goede kwaliteit. Antwoorden op vraagstukken over de invloed die de media op ons uitoefent en daarbij de toekomst van de journalistiek ligt naar mijn mening in personaliseren. Mensen zullen veel mediawijzer worden van content die al (deels) is afgestemd op onze voorkeuren. In de huidige mediacratie wordt het tijd dat de journalistiek een nieuwe rol aanneemt. Burgers in onze huidige mediacratie hebben de journalistiek nodig om media te sorteren en te duiden. Daar zie ik een grote rol weggelegd voor de “nieuwe” journalistiek.

Bronnenlijst

Hooven, M, ten & Schutte, X. (2012). Je kunt ook twitteren over Dostojevski; Rond de tafel gesprek over het gezag van de media. De groene Amsterdammer. 22 november 2012 , jaargang 136, p. 56-60

NLO, NOM, SCP & SKO. (2014) Media:Tijd 2014. Geraadpleegd op 22 juni 2015, van: http://www.mediatijd.nl/images/pdf/MediaTijd_Brochure_WEB.pdf Geraadpleegd op 22 juni 2015

Pels,D. 2009. N13 Media en Maatschappij 4. [reader]. Hogeschool van Amsterdam 

Sterk.G, [instructiecollege media en maatschappij 4]. februari 2014

Vree, F, van. (2012). Media ‘objectiviteit’. De groene Amsterdammer. 22 november 2012, jaargang 136, p. 10

Zonderop,Y. (2012). N13 Media en Maatschappij 4. [reader]. Hogeschool van Amsterdam

 

Veranderen voor moeder aarde

Dilemma over de invloed van ons gedrag op onze planeet
Als het over de toekomst van onze planeet gaat, hebben mensen vaak het beeld voor zich van grote steden volgebouwd met hoge, spiegelende gebouwen waarbij futuristische voertuigen zich van de ene plek naar de andere begeven (misschien zelfs ergens hoog in de lucht). Maar als we niet zuiniger met de aarde om zullen gaan, zal de toekomst er heel anders uit zien. Dan zal de aarde veranderen in één grote zee waar alleen nog een paar kleine eilanden in zullen drijven met een droog woestijn landschap. Dit beangstigende scenario is voor mij steeds realistischer geworden nadat ik de documentaire Cowspiracy heb gezien. Hierin wordt duidelijk gemaakt hoe slecht de aarde er momenteel aan toe is en dat bijna niemand bekend is met de voornaamste oorzaak hiervan, namelijk veeteelt. In de documentaire wordt aangetoond dat onze planeet momenteel de grootste uitstervingsperiode sinds 65 miljoen jaar meemaakt (2014). Dat komt met name omdat wij, de mens als bewoner van de aarde, deze naar onze eigen hand zetten en haar kapot maken. Als we willen dat onze planeet in de toekomst een thuis kan zijn voor levende wezens moeten we stoppen haar te vernielen en nu echt veranderen.

Begrippen als klimaatverandering, milieuvervuiling en verdunning van de ozonlaag zijn pas de afgelopen vijftien jaar een grote rol gaan spelen, omdat het besef is gekomen dat het klimaat hard achteruit gaat. Maar dat besef alleen is niet voldoende want de mensheid is niet wezenlijk veranderd in hoe we met moeder aarde omgaan. De reden hiervan ligt volgens klimaatfilosoof Stephen Gardiner gelegen in het feit dat velen denken dat niemand verantwoordelijk is voor het klimaat. Volgens Gardiner is echter het tegendeel waar, want normale morele en politieke verantwoordelijkheid reiken verder dan wij denken. Hieronder valt ook de verantwoordelijkheid voor ons klimaat. Dat we die verantwoordelijkheid niet allemaal nemen vindt hij begrijpelijk: ‘Het is heel gemakkelijk om de voordelen voor onszelf te nemen zoals ze komen, en de mogelijke catastrofale gevolgen aan volgende generaties te laten, en aan de natuur (Volkskrant, 2012).’

Het gemak waar Gardiner over spreekt is waar we vanaf moeten. Want hoe is het mogelijk dat we onverstoorbaar doorgaan met het kapot maken van onze planeet, alleen maar omdat het ons leven op deze manier vergemakkelijkt? Het is voor mij geen kwestie of we moeten veranderen maar hoe we moeten veranderen. Hierbij is het belangrijk om te beseffen dat we de grootste verandering teweeg kunnen brengen als iedereen beter met de planeet om gaat. Vaak wordt het cliché aangehaald dat veranderen begint bij jezelf. Volgens Gardiner is dat filosofisch gezien zeker het geval want we kunnen alleen verantwoordelijkheid nemen voor onszelf, er is namelijk niemand anders (Volkskrant, 2012).

Met dit inzicht ben ik tot het volgende dilemma gekomen: kunnen we van elkaar en dus van ieder individu verlangen dat we grote veranderingen in ons gedrag aanbrengen om het milieu te verbeteren, bijvoorbeeld door minder vlees te eten? Of is dit teveel gevraagd en moeten we ons collectief richten op kleine veranderingen zoals korter douchen en minder autorijden ? Welk effect kan één enkel individu teweegbrengen en in hoeverre wegen die op tegen de grote veranderingen die tegelijkertijd plaatsvinden ?

Ethische analyse van het dilemma
Vanuit de ethiek kan deze kwestie vanuit verschillende invalshoeken benaderd worden. De eerste is die van de deugdethiek. Dit is een klassieke theorie binnen de ethiek die is bedacht door Aristoteles. Deze theorie gaat er vanuit dat mensen het goede doen door te handelen naar het juiste midden in veranderlijke omstandigheden (Tongeren. P. van, 2008. P.43). Volgens Aristoteles moeten we in dit dilemma dus bepalen wat het juiste midden is tussen grote veranderingen met grotere gevolgen voor de verbetering van ons klimaat en kleine veranderingen met kleinere gevolgen. De deugd die hier naar mijn idee bij past, is verantwoordelijkheid. Omdat de mensheid als geheel schade aanricht aan het milieu, zou ieder individu moeten veranderen en op die manier zijn of haar deel van de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Als we hierbij teveel verantwoordelijkheid nemen zouden we al onze tijd besteden aan klimaatdemonstraties, nooit meer met de auto op vakantie gaan, nooit meer vlees eten in ons favoriete restaurant of ontspannen van een lange warme douche genieten. We zouden zo veel van onze gewoontes laten, dat we onszelf zouden opofferen. Als we het tegenovergestelde doen en weinig verantwoordelijkheid nemen, zouden we misschien hooguit een keer een spaarlamp gebruiken of de kraan niet meer onnodig open laten staan. We zouden ons onverantwoordelijk gedragen omdat we weinig aan het probleem doen en die kleine veranderingen nooit genoeg effect zullen hebben op het verbeteren van ons klimaat. Uitgaande van de theorie van Aristoteles moeten we het juiste midden vinden tussen opoffering en onverantwoordelijkheid. Omdat de mensheid in zijn geheel momenteel meer neigt naar onverantwoordelijkheid, moet het geheel zich meer gaan opofferen om naar het juiste midden van verantwoordelijkheid te handelen. Een extra complicerende factor is, dat het gaat om de verandering van ieder individu en iedereen dus voor zichzelf moet nagaan wat hij of zij moet doen om verantwoordelijk juist te handelen. Daarnaast zullen er ook individuen zijn die zich momenteel opofferen en die groep zou zich, in het streven om meer naar het midden te komen, dus meer onverantwoordelijk mogen gedragen.

Een andere invalshoek vanuit de ethiek die van pas komt bij het benaderen van dit dilemma is het utilisme. Hierbij gaat het om de gevolgen van een handeling en moeten we kiezen voor die handeling die het meeste geluk oplevert voor het grootste aantal mensen. Handelingen die leiden tot pijn moeten we zien te vermijden. Als we dit toepassen op de vraag of we grote of kleine veranderingen moeten doorvoeren in ons gedrag, gaat het om de vraag welke veranderingen het meeste geluk voor het grootste aantal mensen tot gevolg hebben. Kleine veranderingen leveren minder pijn op dan grote veranderingen. Het kost immers relatief weinig moeite om de rest van je leven led lampen te kopen, vaker met het openbaar vervoer te reizen en de kraan niet open te laten staan. Het kost echter veel moeite om nooit meer vlees te eten. Die moeite wordt binnen het utilisme als pijn omschreven. Aan de andere kant leveren kleine veranderingen die bijdragen aan de verbetering van het milieu snel een goed gevoel op, dat vergelijkbaar is met het gevoel dat we krijgen wanneer we een dakloze geld geven (Geijp, J. 2013). Grote veranderingen realiseren levert meer pijn op, maar ook meer geluk. Zelf probeer ik veganistisch te eten sinds ik Cowspiracy heb gezien en dat kost moeite, tijd en creativiteit en dat valt onder de “pijn” in het utilisme. Een andere verandering zou zijn met een elektrische auto te gaan rijden. Dit is echter duurder dan rijden op diesel en benzine en dit valt binnen het utilisme ook onder pijn. Tegelijkertijd zorgen de grote veranderingen voor een gelukzalig gevoel dat groter is dan het gevoel dat we krijgen als we geld geven aan een dakloze. De hedendaagse filosoof Peter Singer is van mening dat we ons meer moeten inzetten voor -en identificeren met andere, grotere doelen dan onszelf. Op die manier is het mogelijk een ethisch verantwoord leven te leiden (Singer, 1997). Dit is een leven waarin je doet wat goed en juist is. Binnen de ethiek zijn het goede en juiste de richtlijnen voor geluk en dus zouden grote veranderingen tot het grootste geluk leiden in dit dilemma. Echter, utilisme gaat over het geluk voor het grootste aantal mensen en op dit punt wordt de toepassing van deze theorie lastiger. Echt geluk zal voor de meeste mensen pas bereikt worden als het milieu daadwerkelijk verbetert. Dat lukt alleen als het grootste deel van de wereldbevolking verandert en de kans dat een grote groep mensen de kleine veranderingen doorvoert in hun dagelijks leven is groter dan de kans dat de grootste groep gaat leven naar de grote veranderingen. We kunnen individuen immers niet via wetten opleggen hun gedrag te veranderen. Gedragsverandering moet vanuit de mensen zelf komen en een bewuste keus zijn. Door vanuit het utilisme naar mijn dilemma te kijken ben ik tot dit inzicht gekomen.

Tot slot heb ik de invalshoek genomen vanuit de theorie van De Ander van de 20e eeuwse filosoof Levinas. Hij stelde dat er een ethisch moment ontstaat wanneer we de ander fysiek ontmoeten en hiermee bedoelt hij dat we die ander erkennen als individu. Die erkenning zorgt ervoor dat je verantwoordelijkheid draagt voor de ander. Ook is de ander volgens Levinas onbekend, want de ander is net als ik een subject en die mogen we niet van zijn andersheid beroven door de ander te totaliseren of als object te beschouwen (Duyndam & Poorthuis, 2003, p. 20). In het dilemma over grote of kleine veranderingen aanbrengen in ons gedrag ten behoeve van het behoud van onze aarde, zou Levinas daarom stellen dat we niet van de ander kunnen verlangen dat hij dergelijke veranderingen zal naleven. We gaan er immers in dat geval vanuit dat de kleine en grote veranderingen voor iedereen hetzelfde zijn en daardoor zouden we de ander totaliseren. Het individu word in het dilemma niet als individu erkend. Dit komt omdat er geen rekening word gehouden met het feit dat een kleine verandering voor de een, een hele grote verandering kan zijn voor de ander. Voor iemand die al vegetarisch is zal het bijvoorbeeld geen grote verandering zijn geen vlees meer te eten. Andersom kan een kleine verandering, zoals niet meer lang en heet douchen een hele grote verandering zijn voor iemand die last heeft van eczeem en door een hete douche zijn huid kan kalmeren. Uitgaande van de theorie van Levinas zouden we per individu moeten bekijken wat de grote en kleine veranderingen voor die persoon inhouden om die vervolgens te kunnen wegen. Hoewel dit in de praktijk heel lastig zal zijn is het wel een heel menselijk idee.
Conclusie over veranderen
Kunnen we van individuen verlangen grote veranderingen in hun gedrag aan te brengen ? Of is dat teveel gevraagd en moeten we de oplossing zoeken in kleine veranderingen? Door deze vragen vanuit verschillende ethische theorieën te benaderen ben ik tot de volgende inzichten gekomen. Om een verantwoord leven te lijden moeten individuen grote veranderingen in hun gedrag aanbrengen en dus minder vlees eten, minder autorijden, verplicht afval scheiden etc. Dat zouden we volgens het utilisme van Singer moeten doen omdat we op die manier een groter doel dienen dan onszelf, namelijk het voortbestaan van de aarde. Het zal veel moeite kosten om te leven naar die grote veranderingen, maar daar zullen we ook een beter gevoel over onszelf door krijgen. Een knelpunt dat door de utilistische analyse duidelijk werd, is dat zowel de grote als kleine veranderingen alleen voor verbetering van het klimaat kunnen zorgen als het grootste deel van de wereldbevolking ze naleeft. Hierbij is het belangrijk om te realiseren dat mensen eerder collectief kleine veranderingen zullen naleven dan grote. Daarom is het wellicht beter om kleine veranderingen van individuen te verlangen. Ondanks het feit dat het effect hiervan relatief klein zal zijn, zal het klimaat op de aarde toch aanmerkelijk verbeteren.

De ethische analyse van het dilemma heeft aangetoond dat er te weinig rekening wordt gehouden met de verschillen tussen individuen. Door het dilemma te benaderen vanuit de deugdethiek blijkt dat iedereen voor zichzelf zou moeten nagaan of hij meer of minder verantwoordelijk voor de gezondheid van onze planeet zou moeten nemen. Dat we van alle individuen als geheel hetzelfde verlangen, noemt Levinas in zijn theorie over De Ander totaliseren. Hierdoor erkennen we het individu niet. Een duidelijke tegenstrijdigheid binnen het dilemma is aan het licht gekomen. Het is voor het behoud van de aarde wellicht van de ene kant ethisch verantwoord om van een individu te verlangen te veranderen. Van de andere kant is het vanuit dezelfde ethische benadering moeilijk te verantwoorden dat een individu moet veranderen alleen maar omdat dat door anderen verwacht wordt.

 

Meer over dit onderwerp?

Bekijk de documentaire Cowspiracy hier

Literatuurlijst
o Andersen, K. & Keeghan, Kuhn. (regie) & Andersen, K. & (producent). (2014). Cowspiracy: The Sustainability Secret [Netflix]. USA: A.U.M films & media.
o Duyndam, J. & Poorthuis, M. (2003). Kopstukken filosofie. Levinas. Uitgeverij Leminscaat
o Geijp, J. (23 maart 2013). Duurzaam besef. Leeuwarder courant. Katern, p16
o Melle, A, van. & Zilfhout, P, van (2011). Minor Praktische Filosofie & Actualiteit Ethiek [reader]. Hogeschool van Amsterdam, onderwijsinstituut MIC
o Singer, P. (1997). The drowning child and the expanding circle. Geraadpleegd op 17 september 2015, van: http://www.utilitarian.net/singer/by/199704–.htm
o Tongeren P, van (2011). Woorden & Daden. Een inleiding in de ethiek. Uitgeverij Boom.
o Volkskrant. (23 januari 2012).We hebben geen morele taal voor het klimaatdebat. Geraadpleegd op 20 oktober 2015, van: http://www.volkskrant.nl/buitenland/-we-hebben-geen-morele-taal-voor-het-klimaatdebat~a3134601/

Het belang van de utopie in de politieke samenleving

cropped-MWith.jpgInleiding

Onenigheid in de Nederlandse politiek drukt een stempel op onze samenleving. Er is vaak sprake van verdeeldheid en miscommunicatie binnen onze regering. Vorige week nog stapte het vijfde regeringslid in ons huidige kabinet, Rutte ǀǀ, op. Dit illustreert de onrust die kenmerkend is voor de Nederlandse politiek anno 2015. Om meer op één lijn te komen met de bevolking moet er naar mijn idee meer vooruit worden gekeken in plaats van enkel te denken aan de hedendaagse ellende. Niet dat dat niet belangrijk is, maar er is meer consensus nodig om het succesvolle land te worden dat, net als vroeger, bekend staat om vooruitgang. Daarom moeten we idealistischer gaan denken. Er moet meer hoop komen op een beter Nederland en een beter politiek bestel. Misschien moeten we nog een stapje verder en is het van belang dat er utopisch wordt gedacht in de politiek? Die vraag ga ik in deze paper onderzoeken. Om nader op de vraag in te gaan, wordt eerst uitgelegd wat een utopie is. Vervolgens wordt haar invloed op de politiek toegelicht, om daarna te kijken of deze werkelijk van belang is.

Wat is een utopie

Het woord utopie heeft een dubbele betekenis die al is ontstaan toen het woord voor het eerst gebruikt werd. De filosoof Thomas More schreef in 1516 over een eiland dat zijn ideale samenleving beschreef en noemde het Utopia. Hij was de eerste die het woord gebruikte. Er wordt gedacht dat More met de mensen, met ons, wilde sollen want utopia kan dubbelzinnig worden opgevat. Het verwijst namelijk zowel naar eu-topia, dat de goede plaats betekent, als op ou-topia en dat betekent de plaats die niet bestaat (Achterhuis, 2006, p.14). In de hedendaagse literatuur en filosofie zijn deze betekenissen samengevoegd en verwijst utopie naar een droomwereld of ideaalbeeld dat niet bestaat. Daarnaast is utopie de benaming geworden voor een literair-politiek genre. Verhalen binnen dit genre beschrijven, net als More’s Utopia, een denkbeeldige volmaakte maatschappij. Een dergelijk verhaal of idee heeft een aantal belangrijke kenmerken. Zo gaat een utopie altijd over het nastreven van geluk en de maakbaarheid van de samenleving. Een utopie gaat ook over maatschappelijke vraagstukken, niet over persoonlijke idealen. Daarnaast is er in een utopie sprake van een breuk met de oude wereld waardoor de taal vaak gezuiverd moet worden (Achterhuis, 2006, p.19).  Hoewel een utopie te maken heeft met idealen, gaat utopisch denken verder dan idealistisch denken. Dat zit hem in het kenmerk van het breken met de oude wereld want een utopie vraagt om nieuwe structuren in de maatschappij zodat er nieuwe idealen kunnen ontstaan die passen bij de samenleving (Oorschot. van, 2013).

Geschiedenis van de utopie

Sinds de zestiende eeuw is de mensheid bekend geraakt met de term utopie. Echter zijn er teksten van ver voor die tijd waarin utopische gedachten te herkennen zijn. Teksten die gaan over een nieuwe, betere droomwereld en dus eigenlijk ook utopieën waren. In een van de oudste literaire bronnen, afkomstig uit de tijd van het oude Egypte in 1940-1640 v.Chr, is het utopisch kenmerk van een andere wereld waar het beter is, teruggevonden. Toch ligt de geschiedenis van de utopie, zowel als gedachtegang als literair-politiek genre, voornamelijk in de moderne westerse wereld. Dit komt doordat haar voorgangers te vinden zijn in de Griekse filosofie en in de joods-christelijke religie. In Het oude testament wordt de geschiedenis van het Joodse volk en hun God verteld aan de hand van verhalen waar veel utopische gedachten in te herkennen zijn. Een voorbeeld hiervan is het verhaal over Adam en Eva die vanuit het paradijs in de echte wereld terechtkomen, maar altijd blijven verlangen naar het mooie paradijs. In de Griekse filosofie dacht men na over goede samenlevingsvormen en hoe die nageleefd konden worden. Uit die tijd komt Plato’s tekst De staat. Hierin beschrijft hij zijn ideale samenleving waarin hij een nieuwe verdeling maakt van de machthebbende, van de politiek in zijn tijd. Deze tekst wordt samen met Utopia van More beschouwd als één van de eerste uitgeschreven utopieën (Achterhuis, 2006, p.26-30).

Het utopisch denken is sinds de Griekse tijd steeds meer kenmerkend geworden voor de mens. Inmiddels weten wij dat mensen van nature streven naar vooruitgang en vernieuwing. We nemen een sprong in de tijd naar een periode waar de utopie van groot belang is geweest; de Middeleeuwen. Volgens Hans Achterhuis, schrijver van het boek Utopie, hebben utopische gedachten ervoor gezorgd dat de mensheid het Middeleeuwse tijdperk, dat eindigde met een ongelofelijk zware pestepidemie, overwon. Door die gedachten brak de tijd van de moderniteit aan, die Achterhuis omschrijft als een gerealiseerde utopie (2006).

In de negentiende eeuw voerde utopische gedachtes meer dan ooit de boventoon. Dat kwam met name door de industriële revolutie die veel utopische dromen als gevolg had. De komst van de techniek en industrie zorgden ervoor dat mensen alles voor mogelijk hielden. Tegelijkertijd werden mensen het werken en de fabrieken zat, waardoor ze zich gingen verenigen in verschillende stromingen van het socialisme. Het socialisme veranderde in het Marxisme en beiden zijn voorbeelden van politieke utopieën. Ze stonden voor een nieuwe andere wereld waarin gelijkheid werd nagestreefd. Men wilde gezamenlijk die gelijke maatschappij creëren. Dit heeft uiteindelijk de basis gelegd voor onze verzorgingsstaat. In de jaren zestig schreef de historicus James Kennedy de utopie Nieuw Babylon die kenmerkend was voor een nieuwe golf utopische gedachten. Het ging over de mens die zich door technologie losmaakte van de natuur. Het enige wat men in die utopie had, was hun pure creativiteit waarmee ze steeds een nieuwe vorm van samenleven uitvinden. Deze gedachten inspireerde de politieke beweging Nieuw Links en ook de beweging van de provo’s. Deze groepen gaven nieuwe ideeën een gezicht en de utopie leek opeens binnen handbereik. Hierdoor werden mensen enthousiast. Dat enthousiasme leidde tot grote veranderingen als homoacceptatie, de gelijkheid die het feminisme wenste en milieu- en natuurbescherming (Achterhuis 2006).

Het belang van utopisch denken

Om een samenleving te laten groeien en vooruit te laten bewegen, zijn utopische ideeën en idealen nodig. De gedachte dat we meer kunnen bereiken, zorgt er voor dat we naar meer streven. Belangrijk in het menselijk denken is het idee dat we steeds slimmer worden en geloven dat de wereld minstens zo goed blijft als die nu is. Ook streven we ernaar het goede te doen en een goed mens te zijn. Volgens Thomas More ontstaat de goede mens door de samenleving op de goede manier in te richten. Naar zijn idee kunnen we dan stellen dat mensen verbeteren door utopische gedachten dat een betere maatschappij mogelijk is (Hoek, 2015). De positieve rol die de utopie kan hebben in de samenleving, kan pas worden vervuld als zij goed begrepen wordt. Het gaat namelijk niet om een perfecte samenleving creëren, maar om het inzicht dat er een perfecte toekomst zou kunnen zijn (Oorschot, 2013).

Als we niet utopisch zouden denken, had de moderne wereld niet bestaan. In het vorige hoofdstuk is al aan bod gekomen hoe utopieën invloed hebben gehad op onze geschiedenis. Een belangrijk besef als het om de importantie van utopieën gaat, is dat onze mensenrechten ook utopische gedachten zijn. Onze basisrechten zijn opgesteld met het idee dat de wereld beter wordt als we ze nastreven (Hoek, 2015). Gelijkheid is een belangrijk utopisch idee voor de mens. Door de Franse revolutie is deze utopie deels waarheid geworden. Een perfecte gelijke samenleving is nog altijd onmogelijk en dat zorgt er juist voor dat we ernaar blijven streven. Het gaat erom dat we de norm blijven verleggen. Daardoor is gelijkheid nog steeds een utopische gedachte, we verlangen ernaar omdat het nog steeds niet helemaal bereikt is. De democratie is ook een gerealiseerde utopie die onze huidige samenleving heeft gevormd. Het was lange tijd een droom dat er een wereld zou komen waarin het volk zichzelf regeert en eigen wetten maakt. Niet overal ter wereld hebben mensen het verlangen naar democratie, maar in het Nederland van voor 1848 was het een utopie die inmiddels werkelijkheid is geworden. Willen wij onze samenleving in positieve zin veranderen, moeten we op politiek gebied utopisch gaan denken (Oorschot, 2013).

Utopisch denken in de politiek

De grootste overeenkomst tussen de utopie en de politiek is dat er bij beiden een idee moet heersen dat er ergens naartoe wordt gewerkt. Dit brengt een gevoel van eenheid met zich mee dat zowel in de utopie als in de politiek essentieel is (Oorschot, 2013). Utopische gedachten gaan per definitie over vooruitgang, zoals in voorgaande hoofdstukken aan bod is gekomen. De taak van de politiek is, naast het dagelijks besturen van een land, ook het verbeteren van de samenleving. Dit laatste wordt gedaan aan de hand van utopische gedachten en daarom zijn deze onlosmakelijk verbonden met politiek.

Er is veel kritiek op de utopie. Ten eerste over de maakbaarheid ervan, want volgens critici zijn utopische gedachten niet op de lange duur gericht. Ten tweede zou ze ingaan tegen de natuur van de mens die met name wispelturig en egoïstisch is. Om dit tegen te gaan drukt de utopie maatschappelijke dwang op aan de samenleving. Ook vragen critici zich af of mensen hun geluk wel zelf kunnen creëren (Achterhuis, 2006). Kritiek op utopische gedachten in de huidige politiek gaat over het feit dat er weinig ruimte voor discussie is door utopieën. Als er één idee is waar in de politiek naar gestreefd wordt, zullen blinde vlekken en zwakheden minder snel ter discussie worden gesteld. Een belangrijke vraag is of deze critici de bedoeling van de utopie wel goed hebben begrepen. Ze bestaat namelijk om na te denken over de perfecte samenleving en vervolgens in richting van die samenleving te bewegen. Niet om ten koste van alles die samenleving te realiseren (Oorschot, 2013).

De schuwe houding ten opzichte van de utopie kan worden verklaard en begrepen als we kijken naar de recente geschiedenis. Liberalistische denkers hebben zich geuit over hoe het idee van de utopie heeft geleid tot het socialisme en fascisme. Hierin werd namelijk een bepaald idee van een ultieme samenleving nagestreefd. Deze ideeën hadden miljoenen doden als gevolg. De reactie hierop was het twintigste-eeuwse relativisme dat niet uitging van één idee waar men collectief aan moesten vasthouden, maar van de gedachte dat we ons op het individu moesten richten. Dit leidde tot problemen in de politiek die nu nog steeds aanwezig zijn. Het is namelijk onmogelijk om een maatschappelijk doel, zoals klimaatverbetering, te bereiken als men zich niet met elkaar bemoeit, maar enkel met zichzelf (Oorschot, 2013).

Dystopie en de keerzijde van de utopie

Naast een ultieme samenlevingen die men zou moeten willen, zijn er ook samenlevingen bedacht die mensen juist niet moeten willen. In plaats van een droomwereld wordt hierin eigenlijk een nachtmerrie beschreven. Een dergelijk idee wordt een dystopie genoemd en kun je zien als anti-utopie. Hierin wordt het idee van een volmaakte samenleving meestal op de hak genomen. Het boek 1984 van George Orwell is een bekend voorbeeld dat als dystopie gezien wordt. Hij beschrijft in dit verhaal een samenleving waar iedereen continu in de gaten wordt gehouden door camera’s. De reden hiervoor is veiligheid en transparantie in de samenleving, maar in het boek wordt duidelijk dat de prijs die mensen hiervoor betalen groter is dan wat het oplevert. Ze moeten die samenleving niet willen en daarom is het een dystopie. Opvallend is dat utopieën en dystopiën vaak veel gelijkenissen hebben waardoor ze moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn (Achterhuis, 2006). Het socialisme van Karl Marx noemde ik eerder als voorbeeld van een gerealiseerde utopie, dat was het voor de aanhangers van deze stromingen. Maar liberalen en kapitalisten zullen dit zien als een dystopie die werkelijkheid is geworden. Zij hebben nooit willen streven naar gelijkheid zoals het socialisme dat deed. Doordat de grote leiders binnen deze politieke stroming, Marx, Lenin en Stalin, heel ver gingen in hun utopie en zelfs bereid waren oorlog te voeren om dichter bij hun droomwereld te komen, is er een negatief idee van de utopie ontstaan. Ook Hitler ’s idee van een Arische samenleving, is een duidelijk voorbeeld van een dystopie, die voor hem een utopie was.

In het vorige hoofdstuk zijn de kritieken op de utopie voorbij gekomen, maar soms gaan mensen nog verder en wordt ze als gevaar gezien. Het argument hiervoor is dat ze leidt tot onderdrukking omdat er één idee nageleefd moet worden. Hierdoor resulteert een utopie vaak in een totalitaire staat als we utopieën uit de geschiedenis als voorbeeld nemen. De liberaal filosoof Isaiah Berlin ziet de keerzijde van de utopie met name in haar ‘blindheid voor alternatieven.’ Dit zal zich altijd uiten in verzet en geweld (Oorschot, 2013).

De huidige utopie

Anno 2015 wordt er nog steeds utopisch gedacht want het dromen over een betere wereld zit in de natuur van de mens. Het mag volgens schrijver en historicus, Rutger Bregman, nog meer gedaan worden. Naar zijn idee is het nodig omdat we het besef moeten krijgen dat wij er iets aan kunnen doen als het over de Nederlandse politiek gaat. Als samenleving staan we voor de keuze of we de kant op willen van de dystopie of de utopie. Nederland als dystopie ziet Bregman voor zich als een land met radicale ongelijkheid waar de klimaatproblematiek compleet uit de hand is gelopen. De huidige utopie is naar zijn idee een land waarin iedereen de kans heeft of de kans krijgt om een leven te maken dat de moeite waard is (Bregman, 2014).

Actuele utopische gedachten gaan voornamelijk over totale gelijkheid, klimaatverbetering, het uitroeien van ziektes of het uitroeien van armoede. Een hedendaagse utopie die onder andere het probleem van armoede zou kunnen oplossen, is het idee van het basisinkomen. Bregman schreef het boek Gratis geld voor iedereen, waarin hij pleit voor dit idee dat inhoudt dat iedereen een paar honderd euro per maand krijgt zonder daar iets voor te doen. Ongeacht of diegene werkt of niet. De voorwaarden om dit te krijgen is dat de ontvangende persoon volwassen is en geldig paspoort bezit van het land dat het basisinkomen verstrekt. Er zijn experimenten uitgevoerd in Canada en Zwitserland waarbij het basisinkomen werd gerealiseerd. Hieruit is gebleken dat mensen door het basisinkomen minstens tien procent bespaarde op hun ziekte kosten en dat ze op verschillende vlakken gelukkiger waren. Mensen gingen wel minder werken, maar die mensen zijn bijna allemaal gaan doorstuderen en werden teruggevonden op school. Ik vind het realistisch dat de utopie van het basisinkomen binnen vijftig jaar in Nederland is gerealiseerd. Bregman gelooft dat dit idee ervoor kan zorgen dat armoede verdwijnt en de overheid haar betuttelende karakter kwijtraakt (Bregman, 2014).

Een ander voorbeeld van een hedendaagse utopie vind ik de transparante samenleving. Vanuit politiek oogpunt lijkt het mensen een goed idee als er meer openheid is en alle informatie voor iedereen beschikbaar wordt gesteld. Volledige transparantie zou betekenen dat we van iedereen continu kunnen weten waar diegene is en wat die doet. Als deze samenleving gerealiseerd zou worden, is er minder privacy en daarom zijn ook veel mensen tegen de transparante samenleving. De wereld zou gaan lijken op het boek 1984 van Orwell. Voor mensen die tegen de transparantie zijn is dit geen utopie, maar een dystopie. Dit voorbeeld illustreert hoe dicht deze tegenstellingen bij elkaar liggen.

Conclusie

Utopisch denken is van ongekend belang voor de politiek. Zonder streven naar een betere wereld zouden we ten eerste ongelukkig worden en ten tweede dom, want er is geen vooruitgang meer. De samenleving zou in een neerwaartse spiraal terecht komen. Ook zou het zonde zijn om in deze tijd, die juist gekenmerkt wordt door vooruitgang, te stoppen met het nastreven van dromen waardoor de stijgende lijn van vooruitgang niet doorgetrokken kan worden.

Het belangrijkste bewijs voor het feit dat utopische gedachten nodig zijn in de politiek, is dat we momenteel ontevreden zijn in Nederland. Hierachter gaat de paradoxale gedachte schuil dat we alleen ontevreden zijn omdat we weten dat het beter kan. Dat idee is in een tijd van verdeeldheid waarin we momenteel verkeren, misschien het enige dat de politiek kan redden. De droom dat er vooruitgang in zit en die droom nastreven. Hierbij is het belangrijk om te beseffen dat het niet gaat om persoonlijke vooruitgang, maar in de eerste plaats om de maatschappij. Mijn vraag is alleen of  de politieke leiders kunnen inzien dat het niet alleen om hun achterban gaat, maar om de hele maatschappij. Want alleen gezamenlijk kunnen we vooruitgang bereiken.

Een andere belangrijke conclusie is voor mij dat we geen maatschappelijke doelen zouden bereiken als we niet collectief één idee zouden hebben. Ook al is het onmogelijk dat iedereen het eens is, gaat het erom dat het merendeel dezelfde vooruitgang voor ogen heeft. Dit brengt mij op het punt waar de utopie duidelijk te kort doet en dat is dat zij weinig ruimte biedt voor afwijkende gedachten. Daarnaast moet er ook rekening worden gehouden met het feit dat een utopie en een dystopie soms hetzelfde kunnen zijn. Want waar de één van droomt, is een nachtmerrie voor de ander. Daarom kan iedereen alleen voor zichzelf bepalen of een idee een dystopie of een utopie is.

Literatuurlijst